Onze dierbare Duinen (Deel 5 van 9)

Blauw= recent toegevoegd
Cursief
= Overgenomen uit de scriptie van “Het Duinendecreet” van Pauline Van Bogaert
Begin de jaren negentig vielen alle puzzelstukjes samen om een coherent decreet te maken. In 1991 kwam er een eerste voorstel van decreet ter bescherming van de duinenstreek op initiatief van Jan Loones, dan Volksunie Parlementslid. Dit werd gevolgd door een tweede voorstel van decreet door Johan Vande Lanotte, dan volksvertegenwoordiger van de Socialistische Partij.

1. Een eerste belangrijk stukje in die grote puzzel werd gevormd door de inspanningen van de verschillende natuurverenigingen, die zich hadden ingezet voor de bescherming van de duinen. Zoals in vorig artikel beschreven, bracht de oprichting van de Duinenwerkgroep van vzw Natuurreservaten, begin jaren tachtig de aandacht voor de duinen binnen de sector natuur in een stroomversnelling. Deze kleine maar geëngageerde groep had eind jaren tachtig reeds enkele debatavonden georganiseerd om in dialoog te treden met belanghebbenden en de sensibilisering voor het duinenverhaal in de hand te werken. Daarnaast oefende de Duinenwerkgroep druk uit op de regering door een tienpuntenprogramma op te stellen, dat een samenvatting was van alle knelpunten in verband met de status en het beheer van de kustduinen. Deze eisenbundel werd ook gebruikt bij de voorbereidende werken van het decreet.

Jan Loones

2. Een tweede belangrijk stukje in die grote puzzel werd gevormd door de gedrevenheid van enkele ambitieuze politici die in politieke concurrentie waren en zich elk met dit dossier wilden op de kaart zetten: Volksunie, met Jan Loones en Michel Capoen, en de SP met Johan Vande Lanotte (pas later ook Agalev, met Michiel Maertens en Vera Dua). Alle 5 hebben West-Vlaamse roots uitgezonderd Vera Dua.

Dat het eerste voorstel uit de Volksunie kwam, op initiatief van J. Loones, was niet verwonderlijk. Jan Loones was afkomstig was van de kust en de VU droeg van bij haar oprichting in 1954, naast het Vlaams-nationalistisch verhaal, de bescherming van de Vlaamse natuur hoog in het vaandel. Een jonge ‘groene’ vleugel binnen de Volksunie organiseerde het allereerste milieucongres in Vlaanderen in 1969. Deze groene profilering kwam wellicht ook vanuit opportunisme, omdat men aanvoelde dat leefmilieu een “hot topic” werd in de jaren zeventig en dit ook verbonden kon worden met hun promotie van de Vlaamse heimat.
Hoewel het voorstel tot decreet van Jan Loones nooit de Vlaamse Raad (na 1995 Vlaams Parlement genoemd. Jan werd in 1991 aangesteld als provinciaal senator) haalde de goedkeuring niet, is het toch van groot belang geweest.
(Voorstel van decreet van de heer J. Loones , 1990-1991, nr.507/1). Zijn opvolger in 1992, ing. Michel Capoen,  diende opnieuw een voorstel van decreet in, dat Loones’ oorspronkelijkvoorstel letterlijk overnam. Capoen was ook voorzitter van de commissie voor “Leefmilieu en Natuurbehoud” (Voorstel van decreet van de heer M. Capoen 1992)
Aan de andere kant van het politieke spectrum diende de SP met J. Vande Lanotte (meerdere) voorstellen van decreet in. (Voorstel van decreet van de heer J. Vande Lanotte 1992). Ook hij wilde zich als milieubewust Parlementslid profileren door de duinen op de politieke agenda te plaatsen, te meer omdat de initiatieven omtrent het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, wat later hét instrument voor de ruimtelijke ordening in Vlaanderen zou worden, zich voornamelijk situeerden aan de rechterzijde van het politieke spectrum. Om dit sluipend succesverhaal te neutraliseren, moest er iets gebeuren. Ook J. Vande Lanotte trachtte daarom informatie in te winnen bij de leden van vzw Natuurreservaten, waaronder Peter Bossu, om een strategie uit te werken. 

Deze onderlinge concurrentie tussen deze volksvertegenwoordigers had een zeer productief en constructief effect

3. Een andere belangrijke speler was Norbert De Batselier (SP), die als kersvers Vlaamse minister van Leefmilieu, het duinendossier heeft weten door te drukken. Naar eigen zeggen vond N. De Batselier het vanuit zijn sociaaldemocratische visie evident om zich in te zetten op groene thema’s:“Een gezonde, kwalitatieve leefomgeving is voor de minder begoeden minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker dan voor de meer begoeden. Zij hebben immers minder de mogelijkheden om zich in een groenere, gezondere ruimte die veelal een stuk duurder is, te vestigen, of voor het observeren van rijke natuur naar andere oorden te begeven”.
De ambities van N. Batselier waren  groot. Dat de bescherming van de duinen via het decreet op natuurbehoud en dus via zijn bevoegdheid gebeurde was niet toevallig, maar een uitvloeisel van de politieke strategie van de minister.

Ook hier was toen sprake van prestatiedrang en concurrentie, voornamelijk met Theo Kelchtermans (CVP), toenmalig gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden die zich via de opmaak van drie trendbreukdecreten binnen ruimtelijke ordening, wilde profileren als milieubewuste minister.

4. Een goede samenwerking tussen enerzijds de Vlaamse Raad (nu Vlaams parlement), als wetgevende en anderzijds de Vlaamse regering als uitvoerende macht, was slechts één voorwaarde voor een goede uitwerking van het decreet.

5. Naast ambitieuze volksvertegenwoordigers, en 2 gedreven ministers, is ook een geëngageerde en goed werkende administratie onontbeerlijk bij de tenuitvoerlegging van een decreet. Het was Jean-Louis Herrier, die als ambitieuze werknemer bij het Instituut voor Natuurbehoud en ondersteund door prof. E. Kuijken, toenmalig directeur van het I.N., de gevraagde inventaris inzake afbakening van de beschermde duingebieden met hoge nauwkeurigheid opmaakte.

6. Ten slotte mag ook de invloed van de pers op dit beslissend moment niet worden onderschat. Om ruime weerklank en bekendheid te verwerven, moest het duinenprobleem ook mediageniek worden ingekleed. Via de media kan een lokaal probleem immers een nationale dimensie verkrijgen. De duinenbescherming werd inderdaad in grote mate gedefinieerd en geëvalueerd door wat er in de pers verscheen. De pers was een enorm belangrijke factor in dit dossier. Niet alleen de alomtegenwoordigheid van de duinenproblematiek in de geschreven pers en op antenne, maar ook de manier waarop het lot van de duinen werd beschreven, herhaald en gekaderd, creëerde de dominante beeldvorming bij de bevolking. De kritische reflectie en het engagement van journalisten was dan ook van uitermate belang om een duidelijk, diepgaand en waarheidsgetrouw beeld te schetsen van dit dossier. Het draagvlak voor het duinenbeleid, moet voornamelijk worden begrepen als de ondersteuning van het duinenbeleid door het middenveld.

Dat de grondstroom ten slotte in het algemeen meer positief dan negatief stond tegenover het Duinendecreet konden we deels opmaken uit het grote succes van de petitie van vzw Natuurreservaten, die 40.000 handtekeningen verzamelden.

(Agalev was toen de groene nieuwkomer maar zat in de oppositie en hadden weinig vertegenwaarduigers aan de kust. Deze partij zou het duinendossier als wezenlijk belangrijk moeten geacht hebben. De informatiestroom vanuit de natuurverenigingen ging voornamelijk naar de SP en de VU. De strategieën werden voornamelijk uitgewerkt met andere partijen dan Agalev. Nochtans hebben M. Maertens en V. Dua een eigen voorstel van decreet ingediend en daarbij getracht hun stempel op dit dossier te drukken).

Door gesprekken te voeren met andere partijen dan Agalev, de partij die zichzelf nochtans als natuurlijke bondgenoot beschouwde, toonde vzw Natuurreservaten dat zij bereid was om met alle partijen samen te werken en absoluut politiek ongebonden wilde blijven.

Deze combinatie van verschillende ‘meevallers’ heeft m.a.w. van 1991-1993 het moment gemaakt waarin men werkelijk tot actie overging. Eerst en vooral was er de actieve groene achterban, met als hoofdrolspeler de Duinenwerkgroep die geëngageerde volksvertegenwoordigers uit verschillende partijen aanporden om hun eisenbundel politiek te vertalen. Deze grotendeels lokale politici en een ambitieuze minister werden gedreven door de urgentie van dit dossier en door onderlinge concurrentiestrijd.

Bij Decreet van de Vlaamse Raad van 29 november 1995, werd een eindpunt bereikt in een beschermingsproces dat in totaal twee jaar en vier maanden duurde. 

Het parlementair  DuinenDECREET  van 14 juli 1993 (B.S. 31/08/1993),  hoort grondwettelijk bij natuurbehoud (onder minister Batselier). De Vlaamse Raad heeft ervoor geopteerd om de bescherming van de duinen niet te verwezenlijken via een wijziging van de gewestplannen volgens de procedure geregeld in artikel 43 van de Stedebouwwet. Hierdoor kregen de kustduinen geen bescherming met slechts verordenende kracht, zoals een gewestplan, maar een vergaande decretale bescherming.Dit  Duinendecreet  was broodnodig.

Van de overgebleven 3.370 ha kustduinen kregen uiteindelijk immers slechts 2.400 ha een ‘groene’ bestemming op de gewestplannen (was 3.100 bij begin gewestplannen). In het kader van het Duinendecreet werden door de Vlaamse regering van die resterende kustduinen met een onaangepaste gewestplanbestemming zo’n 1.105 ha beschermd, nl. 336 ha beschermd duingebied en 769 ha voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. Het grootste deel van deze beschermde zones sloot rechtstreeks aan bij een bestaand natuurgebied en vormde zo een deel van een groter geheel. Slechts tien gebieden, met een gemiddelde oppervlakte van 6 ha, waren ruimtelijk volledig geïsoleerd. De overige niet-beschermde stukjes bestonden hoofdzakelijk uit in de kustagglomeratie verspreid liggende percelen, die kleiner waren dan 1 ha.

In afwachting van een herbestemming in het kader van de hervorming van het Ruimtelijk Ordeningsbeleid, kan dit decreet, dat in een streng bouwverbod (ten­zij voor werkzaamheden ten behoeve van natuurbehoud of kustverdediging) werd vertaald, worden beschouwd als noodmaatregel om het weinige dat nog rest van de duinen vooralsnog op de valreep te redden. Naast een bouwstop betrof het decreet ook het behoud van het unieke karakter van de duinen, meer bepaald de bescherming van hun typische uitzicht en hun hoge natuurwaarde. Wat de handhaving betrof, waren de ambtenaren van het bestuur ‘Natuurbehoud-Ontwikkeling’ en het bestuur Ruimtelijke Ordening met standplaats in West- Vlaanderen, aangewezen voor het toezicht op de naleving van het decreet.

Van bij het begin bleek de opzet, d.i. de bescherming van de duinstreek, geen groot discussiepunt te vormen. Iedereen was het er over eens dat de niet aflatende afkalving van de duinen een halt moest toegeroepen worden en dat de natuurwaarden moesten worden beschermd. Geen enkele partij twijfelde over de opportuniteit van het toekomstige decreet. Veel minder eensgezindheid bleek er echter over de uitwerking van het decreet te zijn en over middelen die precies moesten worden aangewend.

De onderhandelingsfase

De voorstellen

1. Een eerste voorstel werd op 8 mei 1991 ingediend door J. Loones (VU), F. Brepoels (VU), dhr. Desutter (CVP) en P. Chevalier (SP). In hoofdzaak kwam het aan de lokale besturen (kustgemeenten) toe om alle waardevolle duinpercelen te inventariseren die volgens het gewestplan geen natuurbestemming hadden, maar die best zouden worden omgevormd tot natuurgebied. Naast de bestemmingswijzigingen zou de aankoop van percelen door o.a. de overheid de duingebieden van bebouwing kunnen redden.  Ook moesten BPA’s in deze gebieden expliciet verboden worden. Van een werkelijk bouwverbod was echter nog geen sprake omdat geacht werd dat deze maatregel in strijd zou zijn met de dwingende bepalingen van bevoegdheid en eigendomsrecht. Dit voorstel heeft bijgevolg de goedkeuring van de Vlaamse Raad nooit gehaald.

Met het oog op het lanceren van een nieuw debat over de maritieme duinstreek werden door bepaalde andere leden van de Vlaamse Raad ook een aantal voorstellen van decreet ingediend. Het eerste voorstel ingediend door M. Capoen (VU) nam letterlijk het oorspronkelijke voorstel over van J. Loones.  Hierin liet hij ook het initiatief over aan de gemeentebesturen.

2.Maar in april 1991 legde SP-vertegenwoordiger J. Vande Lanotte (SP) een stevigere hap op tafel: in het hele duingebied zou een algemene bouwstop van drie jaar komen. Ondertussen zou er door de Vlaamse regering- en niet door de gemeenten- een inventaris van de duingordel worden opgemaakt binnen de wetgeving op monumenten en landschappen.

Pas toen er een hoorzitting met vertegenwoordigers van het Instituut van Natuurbehoud en vzw Natuurreservaten kwam, drong de draagwijdte van het voorstel van het decreet van J. Vande Lanotte tot iedereen door. Het inzicht dat het duingebied naast de reeds bestaande natuurgebieden meer dan 1.000 ha grond omvatte die op de gewestplannen een natuurvreemde bestemming hadden, betekende meteen de start van een “terugtrekkende beweging na de grote sprong voorwaarts”. In theorie was iedere partij wel voorstander van het algemeen belang, in praktijk bleken echter de private noden bij sommigen toch de determinerende drijfkracht te zijn tot terughoudendheid t.a.v. het voorstel.

Dit voorstel tot algemene bouwstop betekende namelijk een lelijke streep door de rekening van heel wat bouwpromotoren. Agalev diende daarop een genuanceerdere versie in waarin hij ijverde voor een absoluut bouwverbod, maar slechts in enkele vooraf bepaalde gebieden, die op een kaart zouden worden aangeduid.

3. Uiteindelijk kwam er nog een derde voorstel waarbij de Vlaamse regering zou bepalen waar en voor welke percelen een bescherming nodig werd geacht.

Weerhouden voorstel
Uiteindelijke werd het voorstel van J. Vande Lanotte door Agalev (V. Dua en M. Maertens) als onaanvaardbaar beschouwd. Men vond dat het decreet een kaderdecreet was geworden, met een blanco-cheque voor de regering.
Agalev diende uiteindelijk een nieuw voorstel in, waarin men een definitief bouwverbod beoogde voor elke niet- bebouwde oppervlakte duingebied >0,5 ha groot. Voor kleinere oppervlakten werd een tijdelijke bouwstop voorgesteld. Het duingebied moest m.a.w. op basis van een objectieve oppervlaktenorm afgebakend worden. Een belangrijk verschil met andere voorstellen was een verplichting voor de eigenaars van duingebieden om een beheersplan op te stellen. Op die manier werd een herstelbeleid mogelijk en was er een effectieve garantie voor de versterking van de ecologische processen in het duingebied.

De voorstelronde kreeg echter alle kleuren van de politieke regenboog, toen ook VLD een voorstel van decreet indiende met een belangrijke nadruk op de loyale vergoeding voor de grondeigenaars.

Uiteindelijk vormde het voorstel van M. Capoen (VU) de basis van het Duinendecreet van 14 juli 1993 (B.S. 31 augustus 1993) en zowel de SP en CVP vertaalden hun voorstel van decreet in amendementen. Vanaf de publicatie van het decreet gold in het aangeduide gebied een volledig bouwverbod ongeacht de bestemming op de plannen van aanleg of op reeds verleende verkavelingsvergunningen. In het decreet werd bepaald dat de Vlaamse regering de opdracht kreeg van de decreetgever om bij besluit en op voordracht van het Instituut van Natuurbehoud, delen van de maritieme duinstreek als ‘beschermd duingebied’ of als ‘voor het duingebied belangrijk landbouwgebied’ aan te duiden. Hierbij moest rekening gehouden worden met de bescherming, de ontwikkeling en het beheer van de maritieme duinstreek. Binnen de drie maanden moest het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering aan de Vlaamse Raad worden voorgelegd, die het dan binnen de zes maanden moest bekrachtigen.

Hoewel de meerderheid van de Commissie voor Leefmilieu in de Vlaamse Raad (parlement) het Duinendecreet van 14 juli 1993 goedkeurde, liep de inhoudelijk invulling allerminst van een leien dakje. De aanvankelijk grote politieke bereidheid tot actie, bleek immers al snel af te kalven bij de formulering van concrete voorstellen.

Reacties
Politiek

a. Voornamelijk CVP ging op de rem staan. Deze partij wilde dat het Duinendecreet voorzag in een meer billijke schadevergoedingsregeling voor gedupeerde eigenaars. Hierdoor profileerde de partij en in het bijzonder Maria Tyberghien zich van bij aanvang als de verdediger van ‘de kleine eigenaar’.

Ter verdediging van de landbouw had CVP een amendement ingediend, dat op de valreep werd aanvaard door de Commissie. Hierdoor werd er een belangrijke onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘De beschermde duingebieden’ en anderzijds ‘De voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden’. Dit impliceerde dat aan de landbouw de garantie werd gegeven dat er voor deze zones geen bestemmingswijzigingen naar natuurgebied mogelijk was, maar landbouwzones bleven. Verder werd er voor deze gebieden ook niet in een bouwstop voorzien wanneer het bebouwing betrof voor landbouwdoeleinden.

Daarnaast vond CVP het belangrijk dat er bij de criteria ter afbakening van het duingebied ook rekening werd gehouden met de reeds op het gebied rustende bescherming. Dit op het eerste gezicht onschuldig regeltje, zorgde er voor dat op bepaalde gebieden nooit een bestemmingswijzigingen naar natuurgebied kon gebeuren omdat ze reeds van bescherming genoten (vb IWVA). Wat die bescherming precies inhield werd echter niet verder gedefinieerd en kon dus op een arbitraire manier worden beoordeeld.
Zowel het onderscheid tussen de beschermde gebieden als de wijziging van de criteria moet als een tegemoetkoming van de commissieleden tot de eisenbundel van de CVP worden beschouwd. Deze toegevingen waren immers noodzakelijk om CVP mee aan boord te krijgen, enkel zo kon men aan een meerderheid geraken. 

Ten slotte benadrukte de CVP dat men pas een werkelijke eindbeslissing kon nemen over dit beschermingsplan na de procedure van het openbaar onderzoek.

b. VLD had op zijn beurt vragen bij de voorgestelde procedure inzake de wijziging van de bestemming van gronden. De VLD merkte op dat de vaste procedure die vervat lag in de Wet op Stedebouw van 1962 niet werd gevolgd in het decreet .

Daarnaast had de partij ook haar bedenkingen bij de schadevergoedingsregeling die in het decreet was uitgewerkt, waarbij de gedupeerde eigenaar vijf jaar moest wachten vooraleer hij zijn schadedossier kon indienen.  Verder had VLD bezwaar tegen de techniek van bekrachtiging door de Vlaamse Raad (parlement). Beroep bij de Raad van State was hierdoor immers uitgesloten, wat VLD echter beschouwde als een democratische recht van elke burger.

De natuurverenigingen

Natuurreservaten vzw verleende tijdens het voorbereidende werk de nodige achtergrondinformatie aan de initiatiefnemers van het Duinendecreet. Bij deze voorbereidingen hadden echter enkele leden van de milieuvereniging bedenkingen over de gekozen strategie van J. Vande Lanotte. Het was immers al snel duidelijk dat J. Vande Lanotte voornamelijk belang hechtte aan de juridische slaagkansen van zijn voorstel en niet aan de wetenschappelijke onderbouwing ervan. Het decreet moest de toets van de Raad Van State doorstaan, iets wat niet gemakkelijk zou worden gezien men ter vrijwaring van het duinareaal de eigendomsrechten van de eigenaars zwaar moest inperken. Omwille van deze reden moest het tienpuntenprogramma van de Duinenwerkgroep volgens. J. Vande Lanotte sterk vereenvoudigd worden.

Dit bracht volgens Peter Bossu, toenmalig medewerker bij vzw Natuurreservaten, echter kritiek teweeg bij enkele natuurbeschermers, die stelden dat de legitimatie van het decreet gefundeerd moest worden op de wetenschappelijke waarde van de duinen en niet op de juridische regelgeving:

Hoewel er ongeloof heerste over de slaagkansen van J. Vande Lanotte binnen de milieubeweging heeft men uiteindelijk deze juridische strategie gevolgd en dit voornamelijk vanuit de angst dat het Duinendecreet anders door allerlei bevoegdheids-en jurdische kwesties zou verzanden in een slap regelgevend instrument. In latere fasen werd bevestigd dat deze juridische strategie de juist aanpak was: door juridisch gelijk te halen werd het legitieme karakter van de eisen onderbouwd en werd de slaagkans van het decreet vergroot.

De vastgoed

De Confederatie van Immobiliënberoepen België was reeds in 1993 een belangrijke belangenorganisatie van vastgoedberoepen in Vlaanderen en telde onder haar leden voornamelijk vastgoedmakelaars, vastgoedbeheerders, rentmeesters en vastgoedexperten. CIB Vlaanderen, afdeling Kust verenigde op dat moment zo’n 200-tal beroepsmakelaars aan de kust. Vandaag benadrukt de lokale afdeling CIB Kust op zich geen tegenstander te zijn van het Duinendecreet en al helemaal niet van de motivatie van het decreet. De organisatie wijst erop dat de vastgoedmakelaars ook toen geen voorstanders waren van ongeremde verkavelingen die het ecosysteem van de duinen structureel beschadigden. Wel geeft CIB Kust toe dat men bedenkingen had bij het volgens hen, ‘kunstmatige’ karakter van het decreet en de logica achter de keuze van de gebieden die beschermd werden.

Net zoals CIB Kust vandaag benadrukt, was niet iedereen in vastgoed, tegen het Duinendecreet was. Er was geen duidelijke eenstemmigheid en er waren ook vooruitziende immobiliënmakelaars die de verkavelingen hadden net buiten het beschermde gebied. Aangezien het prijskaartje voor deze bouwgronden met uniek uitzicht op de beschermde duinen aanzienlijk steeg, zagen deze verkavelaars hun grond ‘dankzij’ het Duinendecreet in waarde stijgen.

Vele bouwpromotoren hadden op dat ogenblik nog niet het inzicht dat verder bouwen op lange termijn nefast was voor de eigen sector. Dat de kust daarentegen haar typische karakter moest behouden, zodat deze ruimte een meerwaarde bleef voor potentiële kopers was een visie die slechts door een beperkte groep van immobiliënmakelaars werd gedeeld.

Om druk uit te oefenen op de politieke besluitvorming maakte de vastgoedsector haar grieven kenbaar in de pers. CIB, afdeling Kust creëerde hiervoor een frame waarin ‘de kleine eigenaar’ als centrale benadeelde naar voren kwam en politiek favoritisme en de daarmee gelieerde betwiste neutraliteit van het Instituut voor Natuurbehoud werd gesuggereerd. Door het benadrukken van de potentiële economische schade werd angst ingeboezemd voor mogelijke werkloosheid in de bouwsector. Verder wilde de vastgoedsector benadrukken dat 90% van het te beschermen gebied reeds beschermd was of had moeten zijn. Zo wilde de confederatie aantonen dat het decreet er niet was gekomen omwille van hun verkavelingsprojecten maar dat de regelgeving voornamelijk bedoeld was om de bestemmingswijzigingen en de beslissingen van lokale politici aan banden te leggen. De nood aan bescherming van de duinen was volgens de vastgoedsector m.a.w. niet het gevolg geweest van hun verkavelingsbeleid maar wel van de ondoordachte bestemmingswijzigingspolitiek van de lokale besturen.
De belangenorganisatie benadrukte dat door het op ‘dictatoriale’ wijze (versta zonder voorafgaandelijke inspraak van de gemeenten) opgelegde bouwverbod ‘de kleine eigenaar’diep getroffen werd in zijn financiële integriteit en eigendom.  Met dit argument vond CIB, Kust steun bij de politieke partijen VLD en CVP.
Door de nadruk te leggen op ‘de kleine eigenaar’, die zijn enige spaarcentjes in de beschermde grond had gestoken, uitte de vastgoedsector ook hun ongenoegen over de schadeloosstelling

Door op dergelijke wijze deze gedupeerden ten tonele op te voeren werd door CIB Kust benadrukt dat er sprake was van onteigening door het Vlaamse Gewest. Aangezien niet de volledige grondprijs werd terugbetaald en men pas na verloop van vijf jaar een schade-eis kon indienen, stond er volgens deze belangenorganisatie tegenover deze onteigening geen enkele billijke vergoeding. De resterende bouwgrond zouden ook duurder worden, aangezien de verblijven aan de kust door dit beschermingsplan in prijs stegen. De relevantie van de bescherming van bepaalde percelen werd verder bekritiseerd door de deskundigheid van het I.N. en de waarde van de bodemkaart van België, als wetenschappelijk instrument van het decreet, in twijfel te trekken.  Dat bij deze kritiek voornamelijk de SP werd geviseerd, was niet verwonderlijk volgens N. De Batselier. De Socialistische Partij telde immers weinig vastgoedontwikkelaars in zijn rangen. Dit werd door N. De Batselier als een voordeel beschouwd. Zo zou hij minder last gehad hebben van de bezittende klasse. Ook op de milieuverenigingen was er minder kritiek vanuit de vastgoed. 

De vastgoedsector werd voor bepaalde argumenten (schadeloosstelling en ‘kleine eigenaar’) ook politiek gesteund door sommige VLD en CVP- burgemeesters op lokaal niveau. Voornamelijk Knokke en Koksijde namen als kustgemeenten de immobiliënmaatschappijen onder hun vleugels, door gebruik te maken van hetzelfde frame ter discreditering van het Duinendecreet.

Ook burgemeester Henri Dewulf van Koksijde reageerde fel tegen de stuwende krachten van het Duinendecreet. Hij beweerde dat het Duinendecreet zo’n vierhonderd kleine eigenaars en slechts een handvol bouwpromotoren trof in zijn gemeente. De burgemeester hanteerde hetzelfde frame als de vastgoedsector door ‘de kleine eigenaar’ als grootste slachtoffer aan te wijzen en de makers van het decreet te bestempelen als neocommunisten:
“Ik noem de makers van het Duinendecreet hypocriet neocommunisten. Er zijn hier vele ouders en grootouders die een perceeltje hebben gekocht om dat later aan hun kinderen als bouwgrond te kunnen aanbieden. Anderen gaven hun zuurverdiende centen uit om een lapje bouwgrond dat ze later zouden bebouwen. En dan plots horen ze dat er helemaal niet meer mag worden gebouwd. Het is zelf niet zeker dat ze er een frank voor zullen krijgen.” Aldus H. Dewulf.

Hoewel deze zelf met klem ontkende dat hij door zijn kritiek de vastgoedsector verdedigde, werd in het rapport van ‘Het Beschermkomitee Leefmilieu en Natuurbehoud te Koksijde’ van 1992 gesteld dat, gezien het aantal bouwmisdrijven in de gemeente Koksijde, H. Dewulf en het schepencollege luisterde naar “de klinkende munt” en de grens tussen politiek en grondspeculatie in Koksijde bijzonder moeilijk te trekken viel.

De landbouw
Niet alleen beton heeft de duinen ontsierd, ook uitgebreide landbouwarbeid (kappen, beweiding, maaien) en bosbouw hebben de ecologische verloedering van het duinenlandschap in het verleden in de hand gewerkt.
Door de intensivering van de binnenduinrand en de polders, werd de afbakening van het duingebied door het I.N. ook oplettend in het oog gehouden door de landbouwgemeenschap. Door o.a. bemesting, drainage en het omvormen van een halfnatuurlijk grasland tot een productief cultuurgrasland, bleef de druk op de binnenduinrandvegetaties groot. Landbouwers hadden er bijgevolg alle belang bij om buiten de beschermde gebieden te liggen.

Het onderscheid tussen enerzijds de harde beschermingscategorie: woon-en recreatieterrein en anderzijds de agrarische gebieden had de bedoeling om het voortbestaan van de landbouw in bepaalde zones te garanderen.‘De voor het duingebied belangrijk landbouwgebied’ betrofvoornamelijk cultuurgrasland en akkers, waarbij de bescherming voornamelijk beruste op de hoge potenties voor natuurontwikkeling van de binnenduinrand. Agalev vreesde echter dat deze onderverdeling de uitbreiding van zonevreemde gebouwen in de hand zou werken. Zo zouden volgens mevr. V. Dua landbouwbedrijven kunnen worden omgevormd tot maneges, hotels of restaurants.

Volgens R. Landuyt was het echter duidelijk dat deze bepaling geen aanleiding gaf tot bestemmingswijziging en enkel een sociale maatregel vormde, die de instandhouding van de landbouwbedrijven moest mogelijk maken. De ombouw van landbouwbedrijven tot hotels,villa’s of recreationele infrastructuur (horeca, pretparken) bleef uitgesloten.

De invloed van de Boerenbond als klassieke achterban van de CVP was duidelijk voelbaar in de “Commissie voor Leefmilieu”. 

De binnenduinen en binnenduinrand waren echter landbouweconomisch gezien marginale gronden, waarvan de agrarische bestemming in feite achterhaald was.  Politici en natuurbeschermers stelden zich dan ook vragen bij de relevantie van dit onderscheid. Volgens V. Dua ging het dan ook niet over de agrarische waarde van deze gronden, maar over het aantal hectaren: “Elke vierkante meter grond wilde men behouden, productief of niet.”Het zou de boeren niet om landbouw te doen geweest zijn, maar wel om de toekomstige kans op verkaveling veilig te stellen.

De waterwinning
Het zoet grondwater van de duinbodem, van het zout zeewater gescheiden door de zoetwaterlens, heeft een optimale drinkwaterkwaliteit. De watervoorraden in de duinen werden omwille van deze hoge kwaliteit reeds vroeg door drinkwatermaatschappijen opgepompt ten behoeve van drinkwatervoorziening.Vanwege de beperkte winningskosten en relatief eenvoudige techniek, behoorde de consumptieprijs van dit duinwater tot een van de laagste van Vlaanderen.

Deze goedkope kwaliteitsvolle duinwaterwinning had echter ook een keerzijde: door het veroorzaken van een daling van de grondwatertafel trad verdroging op en werd de hydrologische toestand van het duingebied gewijzigd. De instandhouding van de typische waterhuishouding was echter van essentieel belang om het evenwicht van het duinenecosysteem te garanderen.

De milieuverenigingen riepen dan ook meermaals op tot het stopzetten van deze waterwinningen in duingebied. De eisen tot een rationele drinkwaterbeleid werden echter slechts medio jaren negentig daadwerkelijk in praktijk omgezet, toen de drinkwatermaatschappijen (omwille van individuele belangenvermenging) zelf steeds minder in de pap te brokken kregen inzake drinkwaterbeleid aan de kust.

De grootste tegenspeler vormde de Intercommunale Waterleidingsmaatschappij Veurne- Ambacht (IWVA), die ten alle prijzen onafhankelijk wilde blijven door de koppeling met het VMW (nu: TMVW) te weigeren.
Reeds in de jaren dertig haalde de IWVA haar water uit het Cabourdomein, aangevuld met de winning uit de Doornpanne te Koksijde (1948) en later ook bij het Westhoekreservaat aansluitende duingebied van De Panne (1968). Deze drie IWVA-waterwinningen situeerden zich echter binnen de ecologisch meest belangwekkende duingebieden van België. Ophef over deze waterwinningspraktijken bleef dan ook niet lang op zich wachten. Dat de communicatie tussen de milieuorganisaties en deze drinkwatermaatschappij allesbehalve vlot liep, viel op te maken uit de talloze krantenknipsels over waterwinning in het duingebied. De acties van vzw Natuurreservaten spitsten zich voornamelijk toe op de“wanpraktijken” ondernomen door de IWVA, waarbij voornamelijk de actie rond de waterwinning Ter Yde te Oostduinkerke op veel persaandacht kon rekenen. De toenmalige directeur van het IWVA werd in dit dossier immers beticht van inbreuken op de wetgeving van Stedebouw door 17 illegale waterputten te instaleren in duingebied en water te pompen zonder vergunning.De Duinenwerkgroep beschuldigde de IWVA daarnaast van belangenvermenging:
In 1992 lanceerde de IWVA het ‘Milieu-Ecologie-Water en Recreatieplan’, of het MEWAR- plan. Dit plan wilde een brug slaan tussen het behoud van de resterende duinen en de verdere uitvoering van de waterwinningsprojecten, door infiltratie als meer milieuvriendelijke techniek te promoten. Deze nieuwe manier van waterwinning moest een antwoord bieden op het watertekort dat voornamelijk in de zomermaanden een probleem kon vormen. Daarnaast werd in dit MEWAR-plan een ‘geologische cel’ aangekondigd die tot doel had permanent de interactie tussen verschillende factoren te bestuderen.
De sector natuurbehoud plaatste echter grote vraagtekens op dit nieuwe milieuvriendelijke imago van de IWVA. Het MEWAR-plan was immers niet het resultaat geweest van overleg tussen de verschillende belanghebbende sectoren, maar was opgemaakt vanuit één van de betrokken sectoren ontwikkelde visie. Daarnaast bleef men met dit plan duinwater infiltreren en oppompen. Via communicatie met de geoloog van dienst, Emanuel Van Houtte, werd meteen duidelijk dat het Duinendecreet nauwelijks van invloed was geweest voor de werking van de desbetreffende waterwinningsmaatschappij. De reden hiervoor was eenvoudig: het bouwverbod in het decreet, had betrekking op gebieden die bouwvergunningsplichtig waren. De waterwinningsgebieden van de IWVA waren reeds op de gewestplannen ingetekend als natuurgebied (N-gebied) of reservaatgebied (R-gebied), met opdruk waterwinningsgebied.  Hoewel waterwinning als knelpunt was aangegeven in het rapport van het I.N., werden deze gebieden gezien hun dubbele bestemming als natuur en waterwinningsgebied, niet meer opgenomen in het decreet.

Administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Waterwegen Kust
Deze actor die aanvankelijk niet werd ingecalculeerd als tegenstander van het Duinendecreet richtte zich in het verleden op het uitvoeren van zeewerende beheerswerken, zoals ‘harde’ infrastructuurwerken (zeedijken, betonnen duinvoetverhardingen, longardbuizen, schutsluizen, kaaimuren) en bekleedde een monopolie over het beheer van strand en zeereepduinen. Deze administratie had tijdens de opmaak van het Duinendecreet een politiek woordvoerder gevonden in Gilbert Vanleenhove (CVP), die in een persbericht in het Volk stelde dat het decreet de kustverdediging belette en daardoor de veiligheid van de kustbevolking in gevaar bracht. G. Vanleenhove ijverde daarom voor een nieuw decreet waarbinnen de kustverdedigingswerken wel nog mogelijk bleven.

De recreatie
Dat onze kust, als geheel van strand, zee en duin, reeds van oudsher een geliefkoosde ontmoetingsplaats vormt tussen land en zee, bleek reeds uit de voorgeschiedenis van het Duinendecreet. Echter, de grote druk van zonnekloppers verhoogde misschien wel de omzet van de talloze ijssalons en brasseries die onze kust rijk is, voor de duinen betekende deze toestroom van doorwinterde toeristen een werkelijke tragedie. Een te grote bezetting in een beperkt duinlandschap werkte, voornamelijk omheen de recreatiepolen, degradatie en versnippering van de unieke vegetatie in de hand.

Wandelen, zonnen, kamperen, bunkers bezoeken, paardrijden, mountainbiken, veldrijden, golven en recent ook het rijden met quads, zijn slechts enkele populaire recreatievormen, de een al storender dan de ander, die van de duinen één groot speelterrein hebben gemaakt. Een gemakkelijke toegang tot het duingebied was daarbij een belangrijke voorwaarde om überhaupt van deze talloze toeristische attracties te kunnen genieten.
Verder was er medio jaren negentig in 90 procent geen enkele toegangsbeperking opgelegd aan de betreding van de duinen zelf (uitgezonderd De Panne Houtsaeger, Westhoek en Cabour)

Met een zee van vertraging werd ook de toeristische sector begin jaren negentig zich bewust van de precaire toestand waarin duin en bij uitbreiding de gehele kust in verzeild was geraakt. Het inzicht dat men met de aantasting van het duingebied ook wel eens de eigen ruiten zou ingooien, spoorde de toeristische sector aan tot actie om het tij (tevergeefs) nog te keren. Zo stelde dhr. F. Peuteman, bestendig Afgevaardigde van de Provincie West-Vlaanderen en tevens voorzitter van Westtoerisme, tijdens een debat over de duinen:

“De duinen moeten integraal beschermd worden en er moeten door natuurherstel zelfs nog meer duinen komen dan er momenteel overblijven. De duinen vormen de basis van alle toerisme aan de kust, het toeristisch kapitaal van de kust. In het nabije verleden ontwikkelde het massatoerisme zich tot een zelfvernietigende landschaftsfresser die de open ruimten en het landschap waarop het steunt vernietigt. Tegenwoordig ziet de toeristisch sector echter de economische betekenis in van het landschapsbehoud en moet het toerisme evolueren van verbruiker naar gebruiker van open ruimten.”

Natuurbehoud en natuurbeheer vormen de hoofdfuncties  in de kerngebieden en recreatie mag enkel een nevenfunctie  bekleden.

In die tijd was recreatie nog niet zo georganiseerd. Die wilden zich niet inmengen met ruimtelijke zaken. Dat is pas daarna werkelijk opgang gekomen met Westtoer

Hoewel er nauwelijks actieve handelingen door de toeristische sector zelf zijn ondernomen ten tijde van het Duinendecreet, mag er niet van worden uitgegaan dat dit decreet de betrokken sector koud liet. Alles behalve zelfs. Begin jaren negentig begint men volgens DeLannoy vanuit de toeristische sector te pleiten voor een ‘ander’ toerisme, dat rekening houdt met de draagkracht van een bestemmingsgebied en met de duurzame ontwikkeling van de open ruimte. Begin jaren negentig komen meer stemmen op om de toeristische ontwikkeling beheersbaar en kleinschaliger te maken.

N. De Batselier benadrukte ter zake dat hoewel het beschermen van de natuurwaarden het hoofdargument vormde, de maatschappelijke motivering van het Duinendecreet moet gevonden worden in het behouden van het kusttoerisme. Als men wilde dat de toerist de trip naar zee bleef maken, moest men ervoor zorgen dat diezelfde toerist nog min of meer kon genieten van natuurschoon aan de kust, te beginnen met de duinen. De duinenbescherming was m.a.w. ook van economisch-toeristisch belang

‘De kleine eigenaar
Het Duinendecreet kan  beschouwd worden als een beleidskeuze om natuur terug te geven aan de gehele gemeenschap. Door het opleggen van beperkingen inzake eigendomsrecht werd immers voorrang verleend aan het voeren van een offensief natuurbeleid, waarin het beschermde duingebied opnieuw van iedereen en tegelijk van niemand werd.

De eigenaars van de verschillende duinpercelen waren volgens sommigen de grootste verliezers van dit beschermingsplan, waarvoor het Duinendecreet een zware financiële aderlating betekende. In de media werden de betrokkenen dan ook als ‘ benadeelde kleine eigenaars’ opgevoerd, ‘die hun enige spaarcentjes in de grond hadden gestoken’.

De vraag is echter, klopt dit wel?

Ging het inderdaad om particulieren die geen graten zagen bij het kopen van deze gronden voor het nageslacht? Of ging het eerder om goed bij de pinken immobiliënmakelaars die lapjes duin voor een habbekrats hadden opgekocht met de bedoeling deze te laten braak liggen om ze nadien aan een hogere prijs te verkopen? Na verschillende terreinbezoeken stelde vzw Natuurreservaten vast dat de meesten percelen niet toebehoorden aan ‘de kleine man’, maar aan bouwpromotoren, grootgrondbezitters en kapitaalkrachtige eigenaars. Volgens de door de Duinenwerkgroep opgemaakte inventaris ging het om ten hoogste 7 mogelijke probleemgevallen op een totaal van 200.

‘Kleine eigenaars’ dat is een term die misbruikt werd. Het overgrote deel waren echter grondspeculanten.

Voor de beperkte groep van kleine eigenaars was ook een billijke schaderegeling voorzien en via het invoeren van sociale correcties werden deze kleine percelen er ook uitgelicht, waardoor in totaal 35 eigenaars buiten de bouwstop vielen

Desondanks bleven CVP en VLD doorheen de verschillende fases ijveren voor een betere bescherming van deze ‘kleine eigenaar’. M. Tyberghien was plots naar eigen zeggen niet op de hoogte geweest dat ook op particulier domein in de woonzones een bouwverbod was opgelegd. Hier had ze nooit mee ingestemd.
 CVP was de grootste verdediger. Veel eigenaars wilden via de partij meer informatie bekomen over het decreet en verzochten met aandrang om voor hun stukje perceel een uitzondering te maken. Naar eigen zeggen waren de criteria van het I.N. immers niet van toepassing op hun lapje grond. Herhaaldelijk kwam ook het verzoek tot rechtszekerheid naar voor.
Van particuliere lobbying was ook sprake bij VLD. Met behulp van de expertise van enkele advocaten (o.a. M. Denys en J. Bossuyt) werd de gehele campagne van CVP en VLD gecentraliseerd rond het lot van deze ‘kleine’ eigenaar. 

Door te wijzen op de individuele rechten van de grondeigenaar, bleven CVP en VLD het materialistische eigendomsrecht vooropstellen. M. Tyberghien bleef hameren dat de schadevergoedingsregeling onrechtvaardig en strijdig met het gelijkheidsbeginsel was. Deze kritiek werd steeds gecounterd door N. De Batselier: “De duingrondpercelen waren op basis van wetenschappelijke criteria al dan niet beschermingswaardig bevonden, ongeacht wie hun eigenaar was. Dat hierbij wat ‘collateral damage’ werd aangericht aan individuele eigenaars van beschermingswaardige bouwkavels was van meet af aan duidelijk, maar het moest erbij genomen worden. Er kon en mocht geen onderscheid gemaakt worden op basis van het vermogen van de eigenaar. Het is juridisch, omwille van het gelijkheidsbeginsel, niet mogelijk om enkel de duingrondpercelen van de rijke individuen en familie of van de immobiliënvennootschappen te beschermen en het ecologisch evenwaardige duingrondperceel van de kleine middenstander niet te beschermen.”

Dat we dit beeld van ‘de kleine eigenaar’ eenvoudig kunnen doorprikken werd volgens vzw Natuurreservaten bewezen door de opgemaakte inventaris van de Duinenwerkgroep. Uit het archiefonderzoek zelf blijkt eveneens dat het merendeel van grondeigenaars bestond uit nv’s en bouwpromotoren. Dit laatste kon niet alleen opgemaakt worden uit de identiteit van enkele eigenaars maar ook uit het feit dat de bewuste gronden vaak jarenlang braak bleven liggen. Van een kleine eigenaar die grond koopt om er een woning op te bouwen, is het echter hoogst verdacht dat men de gekochte bouwgrond jarenlang in onbruik laat. Volgens dhr. Herrier rook dit immers naar speculatie. Dat deze grondeigenaars het deksel op de neus kregen, vond J.L. Herrier dan ook niet meer dan normaal: “Speculeren betekent nu eenmaal het risico om te verliezen.”

Hans Berquin geeft in zijn boek “In het Zand Geschreven” enkele concrete voorbeelden van nv’s in de Panne waarvoor het Duinendecreet een enorme financiële aderlating betekende. Eén daarvan was de nv ‘Sobifac’die op 30 augustus 1993 een bouwvergunning had verkregen voor het bouwen van een appartementsblok in De Panne. Hoewel de nv voor het van kracht gaan van het decreet de vergunning had verkregen, moest de constructie toch worden geslopen aangezien de werken niet voor 17 september 1993 aangevat waren. Een andere ‘kleine eigenaar’ vormde de beleggingsgroep nv ‘Rewa Benelux’ uit Mortsel die in De Panne een groot recreatie-complex wilde bouwen op de restanten van de nooit afgewerkte ‘Residentie Chambord’. Door het Duinendecreet werd echter ook deze grond beschermd voor toekomstige verkavelingen en bleef de eigenaar achter met een hoop schuld. Dit terrein werd opgekocht door ANB en wordt dus natuurreservaat.

Hoewel dit frame van ‘de kleine eigenaar’ allesbehalve waterdicht bleek te zijn, werd dit verdraaide beeld toch snel overgenomen door de pers. Daar waarbij het Duinendecreet aanvankelijk op de welwillende sympathie van de pers kon rekenen, kan men doorheen de verschillende fases toch een ommedraai merken in de krantenartikels, waarbij steeds meer aandacht werd geschonken aan het lot van de gedupeerde eigenaars. Dat dit frame van ‘de kleine eigenaar’ effectief werkte, kon ook afgeleid worden uit het feit dat CVP, met M. Tyberghien op kop, vaak aan het woord kwam in persberichten en kon rekenen op mediaaandacht. Zo kreeg M. Tyberghien een hoofdrol in de Panorama-reportage van de BRTN en werd zij gevraagd voor tekst en uitleg op de lokale zender Focus. Telkens kreeg zij hierbij de mogelijkheid om aan de hand van dit frame de burger te overtuigen van het onrechtvaardige karakter van het Duinendecreet.

De uitspraken van het Arbitragehof en het Hof van Cassatie hebben uiteindelijk bevestigd dat de decreetgever was toegelaten om maatregelen inzake natuurbehoud te treffen die het voorheen vaak verheven eigendomsrecht van de burger beperkte. Dat dit beschermingsplan ook financiële gevolgen had voor de betrokkenen kan echter niet worden ontkend. Maar het feit dat het Vlaamse Gewest alle zaken gewonnen heeft die tegen het Duinendecreet voor de RVS en het Arbitragehof werden aangespannen, kan als bewijs dienen dat de schadevergoeding op een billijke manier was gebeurd.

Bron (cursief):  scriptie van “Het Duinendecreet” van Pauline Van Bogaert
Voor de integrale Scriptie>>>>
Advertenties

Over DE BLIEDEMAKER

"Teruggespoelde" echte Pannenoar sinds 1993. Vroeger burgerlijk ingenieur bij ELECTRABEL, nu zelfstandig natuurgids. Het e-mail krantje DE BLIEDEMAKER is gestart in september 2005
Dit bericht werd geplaatst in Natuur. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.